Arenberg

Opinie: Een rollercoaster van emoties en contrasten, ons feestweekend.

Door Milan Rutten, directeur Arenberg

De Arenberg vierde het voorbije weekend haar 50ste verjaardag. We trapten het feestweekend af op vrijdag met de nieuwste show van Alex Agnew. Het feestweekend werd zondag afgesloten met een optreden van de Nederlandse cabaretier Paul Van Vliet. Ergens daartussen bracht Vlaanderen in datzelfde weekend zijn stem uit. Een rollercoaster van emoties en contrasten, ons feestweekend.

Vrijdag 24 mei, 20u20, de beats worden door de boxen gejaagd, de lichtshow floept brutaal aan. Even waan je je in het Sportpaleis. Energiek stapt Alex Agnew het podium op, sober zwart, met zijn gekende boots. Enthousiast onthaalt de volle zaal de Antwerpse comedian. Of excuseer sinds kort inwoner van Mortsel, die voorstad van de grote stad. Electoraal maakt allemaal niet zoveel verschil, zo zal blijken. Agnew veegt de vrienden van Schild en Vrienden de mantel uit op het podium, de zaal lacht mee, maar een deel denkt er hoogstwaarschijnlijk het zijne van op zondag. Zo is Vlaanderen.

Dat brengt me op zondag 26 mei, iets na half vier rijdt een zwarte wagen de Willem Tellstraat op. Een statige man komt me tegemoet, hij heeft wat weg van Richard Gere, maar statiger. “Hallo, ik ben Paul”. We praten even. De 83-jarige Nederlander steekt rustig een sigaret op. Zijn stem rolt als de zee, een beetje hees maar met veel diepgang. Keith Richards heeft nog een grote toekomst. Paul Van Vliet verwijst ons feestje met een zachtmoedige glimlach meteen naar de prullenmand. “50 jaar Arenberg, ik treed hier al 60 jaar op.” Wat later, wanneer hij in koningskleed het podium betreedt, mijmert hij verder, hij vreest dat de verkiezingsuitslag in België er toe zal leiden dat het vorige record van de langste regeringsonderhandelingen gebroken wordt. Opnieuw een volle zaal, opnieuw een lach, een beetje ingehouden, of misschien ongemakkelijk, want we zijn allemaal deel van die kiesuitslag.

Halverwege zijn show denderen Agnews moppen als een hogesnelheidstrein door de zaal. De snelheid en misschien wel de geslepenheid van het script zorgen ervoor dat hij bij het publiek een applaus ontlokt voor toch zeer foute dingen zoals seksueel geweld of moord. Fijntjes zet hij het publiek een spiegel voor. Subtiliteit verpakt in brute humor.

De stem van Vlaanderen, in het stemhokje, weerklinkt zondag bruut, zonder subtiliteit. De analyses vliegen bij de eerste uitslagen over het tv-scherm, analyses zonder onderzoek, hoe doen ze het toch. Warm word ik er niet van. Gelukkig is er de warmte van Paul, die zondag. Zijn voorstelling is gedaan, misschien zijn laatste in Antwerpen. Rustig, uitzwaaiend trekt hij het rode gordijn dicht. Het weinige rood dat die avond luid applaus ontlokt in Vlaanderen. Daarna bedankt hij uitgebreid de technische ploeg en mengt zich in het café tussen het publiek. Een en al rust, zittend, want die oude, lange benen willen niet meer 100% mee, gaat hij met iedereen die wil op de foto. Ook hij kent de kracht van sociale media.

Wanneer ik de Arenberg verlaat, nog voor Paul Van Vliet, want hij is een plakker, zo zegt hij zelf, is de avond nacht geworden, donker en zwart. Een bevreemdend gevoel overvalt me: welke rol nemen we op als cultuurhuis in dit Vlaanderen. Preken voor eigen publiek is zo irrelevant, velen doen dat al. De Arenberg weet net een breed publiek aan te trekken door onze diverse programmatie. Dat geeft ons een unieke kans om meer in debat te gaan met die zwijgzame stem van Vlaanderen die op kieszondagen luid durft te klinken. Een forum aan politieke partijen moeten we niet geven. Daar heb je de klassieke media voor. Maar houden we voldoende ons publiek én onszelf een spiegel voor van de samenleving waar we in leven en werken?
De voorbije week was ik aan het napraten met een van onze medewerkers, hij had het moeilijk om rond te komen. En ja, meer dan 90% van de Vlamingen verdient meer dan hem. Maar 1 op 10 Vlaming verdient minder. En die Vlaming die het moeilijk heeft, heeft geen eenduidig ‘profiel’, laat staan dat hij of zij zijn of haar weg vindt naar een cultuurhuis. Daar blijft een grote uitdaging liggen voor de cultuurhuizen. Zeker in een stad als Antwerpen. Naast de hyperdiverse samenleving moeten we er ons van bewust blijven dat bijna 1 op 5 van de Antwerpse kinderen opgroeit in een kansarm gezin. Cultuur is dan een ver-van-mijn-bed-show. Toch moeten we bruggen bouwen, door onverwachte samenwerkingsverbanden op te zoeken, met bijvoorbeeld lokale sportclubs. Daarover ga ik me de komende weken bezinnen en zeker niet met een belerend vingertje zwaaien.

Er leeft pijn in Vlaanderen. En toch kabbelt onze samenleving ogenschijnlijk verder. Paul Van Vliet wist het mooi te verwoorden en sloot onnavolgbaar het feestweekend in de Arenberg af:

En als ik lachen wil, ga ik naar Vlaanderen
Want ze lachen niet zo gauw, maar als ze lachen is het echt
En als ik praten wil, ga ik naar Vlaanderen
Waar het laatste woord voorlopig nog door niemand is gezegd
Waar gesprekken altijd duren
Tot de eerste morgenuren
Waar ze eindeloos kunnen drammen
Waar de ruzie op kan vlammen
Waar de redetwist uiteindelijk bij het bier weer wordt beslecht

En als ik droevig voel
Wil ik naar Vlaanderen
Omdat in Vlaanderen mijn droefheid niet of nauwelijks telt
En als ik heimwee heb
Wil ik naar Vlaanderen
Omdat in Vlaanderen mijn heimwee ongemerkt versmelt
Mijn eeuwenoud verlangen
Dat in Vlaanderen is blijven hangen
In de dorpen, in de steden
Met een rijk, maar zwaar verleden
Dat Brussel in zijn logboek niet of liever niet vermeldt